.

Please update your Flash Player to view content.

FNI ( kittensterfte)

Feline Neonatale Isoerythrolysis staat voor vernietiging van rode bloedlichaampjes bij pasgeboren kittens met als gevolg dat kittens vrijwel gelijk of binnen zeer korte tijd na de bevalling overlijden. Dit is het gevolg van de antistoffen tegen hun eigen bloedgroepgeelzucht bij kitten met FNI die via de eerste moedermelk (colostrum) bij de kittens binnenkomen. De kittens krijgen geelzucht en bruine urine waarna ze binnen korte tijd sterven. In minder ernstige gevallen valt het topje van de staartjes eraf.

Bij katten zijn 3 bloedgroepen geconstateerd:  A, B en AB (de Rhesus-factor komt bij de kat niet voor). Het percentage van de verschillende bloedgroepen verschilt per ras maar kan grofweg verdeelt worden in ca. 85% bloedgroep A en ca. 15% bloedgroep B. Bloedgroep AB komt zeer zelden voor.


In tegenstelling tot de mens en andere diersoorten bevat de kat een natuurlijk antilichaam tegen een vreemde bloedgroep.
De kans op FNI is het grootst bij kittens met bloedgroep A van moeder met bloedgroep B. Indien een moederpoes met bloedgroep B haar kittens met bloedgroep A gaat voeden, geeft zij antilichamen tegen bloedgroep A aan haar kitten wat de afbraak van rode bloedlichaampjes tot gevolg heeft.

De darmen van een kitten zijn de eerste 18 uur 'permeabel' (poreus voor bepaalde stoffen) voor de antistoffen in het colostrum. Het is verstandig om de eerste 18 uur de kittens niet bij de moeder te laten drinken. Na deze 18 uur is het gevaar geweken en is de darmwand dusdanig 'gesloten' dat de antistoffen niet meer door de darmwand heen kunnen dringen.

Wanneer is er een gevaar voor  kittens? Middels onderstaande schema's wordt het duidelijk:

Sleutel:

Type gen

Bloedgroep

AA

A

Ab

A

bb

b

Geen gevaar


Kans op FNI

Bloedgroepen A en B (type gen in hoofdletter is dominant, type gen in kleine letter is recessief).

Katten krijgen van beide ouders een gen voor de bloedgroep mee waarbij A dominant is over B. Een kat kan drager zijn van het A- en  b-gen maar heeft dan toch bloedgroep A.

Uit een paring waarbij zowel kater als poes type gen AA (bloedgroep A) hebben, zullen altijd kittens met bloedgroep A (type gen AA) komen en uit een paring waarbij zowel kater als poes type gen bb (bloedgroep B) hebben, zullen altijd kittens komen met bloedgroep B (type gen bb). Deze kittens zullen nooit FNI ontwikkelen. Zie de volgende schema's:

De genen
van de
kater

De genen van de poes
A A

A

AA AA

A

AA AA

Alle kittens hebben bloedgroep A (type gen AA) en zullen geen FNI ontwikkelen.

De genen
van de
kater

De genen van de poes
b b

b

bb bb

b

bb bb

Alle kittens hebben bloedgroep B (type gen bb) en zullen geen FNI ontwikkelen.

De genen
van de
kater

De genen van de poes

A

A

A

AA

AA

b

Ab

Ab

De genen
van de
kater

De genen van de poes

A

b

A

AA

Ab

A

AA

Ab

Alle kittens hebben bloedgroep A , 50% is drager van het b-gen. Deze kittens zullen geen FNI ontwikkelen.

De genen
van de
kater

De genen van de poes

A

b

A

AA

Ab

b

Ab

bb

Van deze kittens heeft 75% bloedgroep A en 25% bloedgroep B. Een poes met bloedgroep A en drager van b heeft minder antistof tegen bloedgroep B dan poezen met bloedgroep B antistoffen hebben tegen bloedgroep A. Daarom hebben de kittens met bloedgroep B een redelijke kans om te overleven.
Zou moederpoes nogmaals paren met kater met type gen Ab, dan bouwt ze meer antistoffen tegen het b-gen op en zouden kittens uit een volgend nest minder kans hebben om te overleven.

De genen
van de
kater

De genen van de poes

A

A

b

Ab

Ab

b

Ab

Ab

Alle kittens hebben bloedgroep A (type gen Ab). Omdat ook moeder bloedgroep A heeft, zullen de kittens geen FNI ontwikkelen.

De genen
van de
kater

De genen van de poes

b

b

A

Ab

Ab

A

Ab

Ab

Alle kittens hebben bloedgroep A (type gen Ab) en moeder met bloedgroep B zal haar antistoffen tegen bloedgroep A aan haar kittens geven. Deze kittens hebben een grote kans om FNI te ontwikkelen.

De genen
van de
kater

De genen van de poes

b

b

A

Ab

Ab

b

bb

bb

De genen
van de
kater

De genen van de poes

A

b

b

Ab

bb

b

Ab

bb

In deze nestjes heeft 50% bloedgroep A en 50% bloedgroep B. De kittens met bloedgroep A van het linker voorbeeld hebben een groter kans op FNI dan de kittens uit het rechter voorbeeld omdat moederpoes met bloedgroep B meer antistoffen heeft tegen A dan moederpoes met bloedgroep A (type gen Ab) tegen bloedgroep B. De kittens met bloedgroep B uit het linker voorbeeld lopen geen gevaar.
De kittens met bloedgroep B uit het rechtervoorbeeld zullen een grotere kans hebben om te overleven. De kittens met bloedgroep A lopen geen gevaar.

FNI kan grotendeels voorkomen worden door de bloedgroep van de poes te laten testen en ook die van de kater waardoor ze gedekt zal worden. Om te achterhalen of een poes of kater met bloedgroep A ook drager is van het b-gen, zal door testparing naar voren kunnen komen.

Laatst aangepast ( zaterdag, 20 juni 2009 20:05 )